Rudi Polder is schilder en dichter Hij is als dichter geroepen en als schilder uitverkoren. Zijn poëzie bevestigt dat hij een geboren schilder is en dat zijn dichterschap een complementaire gave is die stem geeft aan de onvermijdelijke perioden van zondeval in de paradijstuin van de schilderkunst. De poëzie spreekt van het ongelukkig bewustzijn dat de kop opsteekt zo dikwijls de gelukkige, 'naïeve' verhouding tussen inzicht en uitzicht, Polder en polder, verbroken is. Zij herdenkt het weten van de schilder in een taal, die niet de moedertaal van de schilder is. Polder's laatst gepubliceerde bundel 'qu'androgyne' is hier een voorbeeld van: deze Hollandse schilder schrijft in het Frans, een taal die hij beheerst en, hoe paradoxaal ook - maar door zijn lange verblijf in Frankrijk begrijpelijk - tevens belichaamt. De dichter Polder is in menig opzicht het spiegelbeeld van zijn leermeester, misschien de grootste Nederlandse en in ieder geval de meest Nederlandse grote dichter: Martinus Nijhoff, die zijn innerlijke verscheurdheid heeft omgezet in een poëzie, zo vanzelfsprekend als een schilderij van Vermeer van Delft. Is 'omgekeerd - de schilder Rudi Polder een poëet? Hoewel door velen is betoogd dat de poëzie een licht is dat in deze eeuw voornamelijk buiten de verbale poëzie is ontstoken door Klee, Ernst en Bissier-, zou ik Rudi Polder niet graag rangschikken onder deze ijle prinsen der verbeelding. Zij zijn geboren dichters die, van hun spraak beroofd, de poëzie voortzetten met andere middelen. Polder gaat niet uit van een orfisch weten. Zijn zienerschap berust op kijken zijn helderziendheid op werkelijkheidszin, al leren al zijn paysagistische verkenningen ons ook dat de werkelijkheid voor wie goed kijkt in eerste en laatste instantie op verbeelding berust. Polder's jarenlange vriendschap met de schilderfilosoof Laurens van Kuik, Mondriaan's geestelijke tweelingbroeder, heeft hem vooral geleerd, dat 'de zuivere schilderkunst', die hij zocht, geen relaties onderhoudt met een puritanisme, dat de schilderkunst opoffert aan de zuiverheid van de leer. En de schilderkunst van de werkelijkheid aan de werkelijkheid van de schilderkunst. Polder vindt de bovennatuur in het gegeven landschap. Geen innerlijk licht zonder zonlicht. Dat bleef gelden nadat hij zijn aanvankelijk sterk sartriaans gekleurde 'wereldbeeld met een bovennatuurlijke verdieping had uitgebouwd. Het licht dat hij schildert is van bovenaardse oorsprong maar het valt op een landschap dat in termen van tijd en plaats beschrijfbaar is. Het innerlijk licht in zijn schilderijen heeft een aardse naam: 'Middellandse Zee', en een werelds jaartal: '1983'. Bij ieder inzicht hoort een uitzicht. Bij iedere dematerialisatie van de wereld een materialisatie van het onzichtbare, een verschijning in de gedaante van verf. De esoterie heeft Polder voor goed met de aarde verzoend. Deze liefdesverhouding liep uit op een mystiek huwelijk met het impressionisme, dat echter niet in Giverny of enig ander Frans lustoord, maar in de hemel (der idealistische filosofie) werd gesloten. Zien en zichtbaarheid, schilder en landschap, staan onder dezelfde bovenaardse wet, die alleen op aarde van kracht is. Polder's gedichten spreken van ' l'esprit du corps ' en van 'le corps de l'esprit'. Dat is een onderscheiding, die in zijn schilderijen - synthesen van 'de geest van het landschap' en 'het landschap van de geest' - is opgeheven. De Franse kunstkritiek, die een beter oor had voor de Hollandse én voor de kosmische klank van Polder's Franstalige landschappen dan de Nederlandse pers, vond de wervende term 'Blondisme'. Het landschap dat Polder voor ogen wenst te hebben vervluchtigt tot niets dan 'Blondeur', transparantie en levitatie van een materie, die ondanks haar staat van genade, materie blijft, Polderland. In dit transcendentaal impressionisme, dat veel betere betrekkingen onderhoudt met Goethe's dan met Newton's kleurenleer gaat de zon op en onder in verf en zo gaat het ook met het licht dat Polder opgaat (en in hem ondergaat) zovaak hij het licht van Roquefort of Leidschendam aan de lijve ervaart en alle luministische doctrines vergeet. Want hij is zich zeer bewust van de rol dat zijn lichaam en de lichamelijkheid van het schilderij spelen in de strijd om de ontgrenzing van de zichtbare wereld: 'Ce grand corps / qui me gêne / qui me réveille / quand je dors / en qui s'endort / quand je veille' (een van Polder's recente dichtregels) openbaart ook veel van wat aan de verlichte ziel ontgaat. Polder's lichtlandschappen hebben, bij hun Hollandse blondheid, geografisch gezien toch het meest de wind mee ver van de 'lauwe westerstranden', in Zuid-Frankrijk en in Scandinavië, de vrouwelijke en de mannelijke pool van West-Europa. En van de poëzie van Rudi Polder, die in het teken staat van de overschrijding van de synthese van mannelijk en vrouwelijk. Dit 'plus qu'androgyne' valt wellicht het directst af te lezen uit de meestal regel voor regel - als een gedicht - genoteerde grote tekeningen en gouaches, waarin het ordelijke zwart en wit altijd wordt ontregeld door de kleur - blauw of blond 'die zich loszingt van de strenge partituur. Maarten Beks Arnhem 1983